Bij het sluiten staat er altijd iets over. Een halve emmer waarvan de bloemen morgen nog goed zijn maar overmorgen niet meer, en losse stelen die bij het binden zijn overgebleven. Wat je daarmee doet, is een van de weinige dingen in dit vak waar geen goede oplossing voor bestaat, alleen minder slechte.
Wij hebben het drie jaar verkeerd gedaan. Wat over was ging de koeling in, en de volgende dag verkochten wij het met korting. Op papier klopte dat: minder weggooien, iets terugverdiend. In de praktijk gebeurde er iets anders. Mensen gingen wachten. Wie op woensdag een boeket wilde, kwam op donderdag voor de afgeprijsde versie, en het gevolg was dat wij op donderdag verse bloemen niet kwijtraakten en dus ook die de volgende dag moesten afprijzen. Zo verschuift de hele winkel naar één dag te oud.
Sinds 2019 doen wij het andersom. Aan het eind van de dag maken wij van wat over is kleine bosjes van drie tot vijf euro, en die gaan in een emmer bij de deur. Er hangt geen bord bij, het staat niet op de site en wij kondigen het niet aan. Wie er langsloopt en het ziet, neemt er een mee. Is de emmer om zeven uur nog niet leeg, dan gaat de rest mee naar de buurvrouw, de fysiotherapeut op de hoek of het buurthuis twee straten verder.
Het verschil met afprijzen is dat deze bosjes geen alternatief zijn voor een boeket. Er zit geen keuze in, je kunt niet zeggen wat erin moet, en morgen is er misschien niets. Daardoor wachten mensen er niet op. Wat overblijft is een restje dat een bestemming krijgt zonder dat de rest van de winkel eronder lijdt.
En wat er echt niet meer door kan, gaat op de composthoop achter bij de kweker in Vogelenzang, waar het als bodem terugkomt onder de dahlia’s van volgend jaar. Dat is geen groot verhaal en het lost niets op, maar het is beter dan de container. Van de negentig boeketten per week gooien wij nu ongeveer twee weg. Het waren er zeven.